Zijn we nu blij?

De laatste weken komt er op Twitter, op televisie en elders in de samenleving wel heel erg veel vuiligheid langs. Nou niet per definitie letterlijk de mest en het hooi van boeren, maar wel de bewoordingen die door mensen en zeker ook door politici worden gebruikt. Het is sinds de sociale media verschenen zijn van alle dag dat er walgelijke reacties zijn, maar de laatste weken is dat veel meer dan dat er voorheen langskwam. Is dat hoe wij in een samenleving willen leven?

Willen we in een samenleving wonen waarin we vredelievend naast elkaar leven of willen we in een samenleving leven waarin iedereen met elkaar in oorlog is? Willen we in een samenleving wonen waar slechts een klein groepje roeptoeteraars het voor het zeggen heeft of willen we in een samenleving leven, waar ieders mening telt? Willen we in een samenleving leven waarin enkel plaats is voor de mensen die wij leuk vinden of willen we in een samenleving leven waarin iedereen, arm of rijk, blind, doof of in een rolstoel, wit, bruin, zwart, groen of pimpelpaars een plaats heeft?

Het is ongelofelijk dat mensen willen leven in een samenleving zoals die nu is vorm gegeven. Ja het kan nog veel erger, want ja in Nederland is het nog altijd heel veel beter dan in een deel in de rest van de wereld, maar dat betekent niet dat er niet naar verbetering hoeft worden gekeken. Laten we dat samen doen. Want ik wil graag in een fijne samenleving wonen. U toch ook?

Stop kaalslag in het OV

Al jaren wordt er achter elkaar bezuinigd op openbaar vervoer. Steeds meer plekken zijn onbereikbaar per bus of trein. Zeker in het platteland worden afstanden behoorlijk groot. Het gevolg is dat mensen die daarop zijn aangewezen minder zelfstandig worden, omdat ze dan afhankelijk worden van anderen. Van vrienden, buren of kennissen of van de gemeente. Bezuinigen op openbaar vervoer levert dus meer kosten voor de gemeenten op, tegelijkertijd laten mensen die een auto hebben minder vaak staan, met als gevolg meer auto’s op de weg en dus meer files en ook meer uitstoot van CO2.

Bezuinigen op openbaar vervoer heeft als reden dat er te weinig passagiers zijn, waardoor met name buslijnen niet altijd meer rendabel zijn. Door te bezuinigen wordt het echter nog minder aantrekkelijk om gebruik te maken van de bus, met als gevolg dat er nog minder passagiers zijn, waardoor nog meer lijnen onrendabel worden. Tegelijkertijd neemt het verkeer nog meer toe, omdat nog meer mensen het openbaar vervoer dusdanig onaantrekkelijk vinden, waardoor ze nog vaker kiezen voor de auto. Kortom bezuinigingen op het openbaar vervoer versterken de onaantrekkelijkheid van het OV alleen maar, waardoor er uiteindelijk nog meer bezuinigd wordt. Een beleidskeuze daarbij is om in te zetten op grote dikke lijnen en daarbij de rustige lijnen langzaam af te stoten. Het gevolg is dat drukke lijnen juist nog meer gaan rijden, maar dat ontsluitende lijnen steeds meer verdwijnen. Het gevolg is dat afstanden tot de haltes toenemen en dat mensen voor wie de afstanden te ver worden hun zelfstandigheid verliezen, doordat ze daardoor meer afhankelijk worden van andere mensen of zelfs van de gemeente. Een oorzaak voor de genoemde beleidskeuze zijn de concessies die gemaakt worden per concessiegebied. De concessiehouder, dat kan zijn een provincie, maar ook een regio, bepaalt aan welke eisen het vervoer moet voldoen en kiest een vervoerder uit die daar het beste vervoer tegen zo min mogelijk kosten tegenover zet. Het feit dat vervoersbedrijven winst willen maken, in combinatie met het feit dat concessiehouders steeds meer op OV bezuinigen maakt de inzet op rendabele lijnen en het snijden in dunne lijntjes logisch.

Uiteindelijk is het de vraag of de overheid er uiteindelijk minder geld aan kwijt is of dat het in de praktijk slechts duurkoop blijkt te zijn. Zoals gezegd worden mensen minder zelfstandig en dat betekent dat er ook vaker hulp gevraagd moet worden bij de gemeenten. Het is nu al te zien, dat gemeenten zelf de wmo niet op orde hebben, omdat de wmo het gevolg is van een decentralisatie in combinatie met een bezuiniging, waardoor gemeenten moeilijk de hulp voor alle mensen die het nodig hebben kan bieden. Dat is niet alleen in de wmo te zien, maar ook in de jeugdzorg.

Het kan ook anders en het moet ook anders. Er zijn een aantal stappen die gezet kunnen worden om het OV te verbeteren. Ten eerste is er het probleem van de concessies waardoor vervoersbedrijven voor lange tijd een gebied mogen rijden, zonder consequenties als hun prestaties matig zijn en het feit dat de provincies in de tang gehouden kan worden door chantage van die vervoersbedrijven. Ten tweede is er het probleem dat provincies steeds minder geld uit willen en kunnen geven, doordat ook steeds minder geld naar gemeenten gaat. Toch is het mogelijk om ondanks bezuinigingen het probleem in elk geval te verminderen. Het is namelijk mogelijk om toe te staan dat er andere vervoersbedrijven in een concessiegebied ook mogen gaan rijden. Dan wordt het gecontracteerde bedrijf gedwongen om een beter product te bieden, ook buiten de randjaren van een concessieperiode. Het eerste en laatste jaar zijn vaak wat beter, omdat een vervoersbedrijf dan alles erop inzet om het concessiegebied te behouden. Om dat mogelijk te maken kan er bijvoorbeeld in de wet worden geregeld dat elk overheidsniveau een eigen aanbesteding mag doen per vervoersmiddel. Landelijk kunnen bijvoorbeeld buslijnen als de 350 tussen Alkmaar en Leeuwarden, 315 tussen Lelystad en Groningen en lijn 400 tussen Utrecht en Breda een concessie gaan vormen. Als dan landelijk de 350 niet wordt meegenomen kan de provincie lijn 350 ook aanbesteden, omdat de provincie een verbinding met buurprovincie Noord-Holland wil. De provincie kan dan ook aparte aanbesteding doen voor buslijnen die verschillende regio’s verbinden. Denk hierbij aan een lijn 91 tegenwoordig onder de noemer C2 tussen Apeldoorn en Arnhem, een lijn 27 tussen Arnhem en Doetinchem of een lijn 105/205 tussen Arnhem en Harderwijk. Tot slot kunnen dan ook gemeenten nog aanbestedingen doen. Dit kunnen lijnen zijn die de gemeentegrenzen niet passeren, maar de gemeente Renkum mag bijvoorbeeld ook zeggen, dat de verbindingen vanuit de dorpen naar Arnhem en Wageningen met de provinciale concessie onvoldoende zijn. Lijn 51 zou daarbij een voorbeeld zijn, omdat het een lijn is voor de dorpen van de gemeente en niet zoals lijn 352 om de twee steden Arnhem en Wageningen te verbinden. Trein en bus concessies kunnen ook apart worden aanbesteedt.

Dit laat dus zien dat een relatief kleine aanpassing in de wet al veel dingen mogelijk maakt en dat ook de marktwerking niet de nek om hoeft te worden gedraaid om het vervoer voor de bewoner te verbeteren. Zeker als vervoerders continu rekening met elkaar moeten houden in plaats van alleen als een concessieperiode verloopt. Ook de exorbitante tarieven die bedrijven soms vragen zullen hierdoor worden gedempt. Uiteraard kunnen gemeenten en provincies en gemeenten onderling daarbij samenwerking opzoeken, maar de essentie van dit idee is dat door verschillende niveaus van aanbestedingen te hanteren, met name lokale overheden dan nog kunnen zorgen om hun kleine dorpen beter te ontsluiten. Uiteindelijk zorgt het er wel voor dat het OV weer aantrekkelijker kan worden. Daar gaat het om, dat het OV weer goed toegankelijk wordt voor alle inwoners en dat inwoners daardoor zelfstandiger worden.

De verraders als harde leerschool

Wat een mooi betoog net bij De Verraders van Stefano Keizers. Helemaal waar dat we als mensheid continu worden bedrogen waar we bij staan, met name door mensen met geld. Normaal gesproken gebeurt dit zonder dat we weten dat we verraden worden, maar in het spel is het duidelijk. Hierdoor kwamen de emoties los aan het einde van de aflevering te zien waren. In dit spel is het slechts enkele weken, in het echt kunnen zulke situaties jarenlang zo niet de rest van het leven grote impact hebben, zoals bij de toeslagenaffaire het geval was. Dank meneer Keizers om ons als Nederlands begrijpende mensen dit bij te brengen, dank ook aan de makers achter het programma om dit te tonen. Helaas heb ik er niet het vertrouwen in dat dit het effect zal hebben dat de wereld nodig heeft, maar het geeft vertrouwen dat er iemand is die dit op televisie zo durft uit te spreken.

Gemeenteraadsverkiezingen 2022: deel 2

De gemeenteraadsverkiezingen komen er weer aan. Op 16 maart kunnen mensen in de meeste gemeenten weer naar de stembus. In enkele gemeenten kan er niet gestemd worden, dit als gevolg van herindelingen, waarbij verkiezingen plaatsvinden op het moment dat de herverdeling plaatsvindt. De opkomst van gemeenteraadsverkiezingen is vaak laag, in elk geval lager dan bij de landelijke verkiezingen.

Toch zal de uitkomst van de gemeenteraadsverkiezingen meer invloed hebben op het leven van kiezers, dan de uitkomst van de Tweede Kamer. De gemeente gaat namelijk over dat wat er in de directe omgeving plaatsvindt. In Renkum zijn er voor de komende raadsperiode enkele belangrijke zaken: Parenco, Lelystad Airport, Utrechtseweg, Station Wolfheze, sociaal domein en financiën. Deze lopende zaken hebben directe invloed op de gezondheid of de bereikbaarheid van de directe omgeving en hebben directe invloed in hoeverre mensen die hulp nodig hebben aanspraak kunnen maken op hulp van de gemeente. De komende periode zal er in verschillende artikelen stilgestaan worden bij de bovenstaande thema’s. Vandaag in deel 2 gaat het over station Wolfheze.

Station Wolfheze moet worden verbouwd om de spoorwegovergang te laten verdwijnen, dat is nodig want er komt tegenwoordig veel treinverkeer overheen. Bovendien ligt de spoorwegovergang ligt dichtbij ProPersona, een zorgcentrum voor mensen met psychische aandoeningen, en ligt de spoorwegovergang vrijwel naast Het Schild, een zorgcentrum voor slechtzienden. Kortom, twee zorgcentra met groepen die kwetsbaar zijn in de buurt van het spoor. Afgelopen zomer was er dan ook een incident waarbij een persoon om het leven kwam, na een aanrijding met een trein. Dat de spoorwegovergang niet veilig is en daarmee het beste kan verdwijnen is duidelijk. Bij het weghalen van de spoorwegovergang wordt echter ook het station aangepast en verbouwd van 3 sporen naar 2.

Station Wolfheze ligt op een druk traject waar per richting 6 intercity’s en 2 sprinters per uur rijden, daarnaast rijden er ook nog diverse internationale treinen over het traject. Van alle treinen stoppen enkel de sprinters op het station en op dit moment kan door de 3 sporen de sprinter worden ingehaald door de intercity’s bij vertraging van een van de betreffende treinen. Als het station naar 2 sporen teruggeschroefd wordt kan dat niet meer en zullen intercity’s tussen Ede-Wageningen en Arnhem Centraal geen inhaalmogelijkheden meer hebben. Als blijkt dat de dienstregeling toch te krap is, dan zal er besloten moeten worden om te snijden in de treinen op het traject. De intercity’s worden gepromoot doordat er zoveel treinen rijden dat mensen niet meer hoeven op te zoeken hoe laat hun trein gaat, tegelijkertijd wordt de sprinter niet heel veel gebruikt en is de NS liever kwijt dan rijk. Met 2 sporen op station Wolfheze wordt enige ruimte die het station biedt om vertragingen weg te werken te niet gedaan en daarmee wordt het voor NS dan wel ProRail eenvoudiger om de sprinter en daarmee de treinverbinding voor de stations Oosterbeek en Wolfheze te schrappen.

Al met al is het dus zaak dat mensen die gekozen worden voor de gemeenteraad weet hebben van consequenties die het zondermeer instemmen met het bouwen van een onderdoorgang en het verbouwen van het station kan hebben. Op zich hoeft het niet heel erg als er tijdelijk wordt teruggeschroefd naar 2 sporen, echter als het nodig is voor het behoudt van de sprinter, dan moet de optie om weer meer sporen aan te leggen niet al te kostbaar zijn. Dat kan door in het bouwplan simpelweg rekening te houden met eventuele toekomstige extra sporen. Het is dus voor raadsleden belangrijk om dossierkennis en aandacht te hebben om te zorgen dat Wolfheze er in de toekomst geen zeer groot nadeel ervan ondervindt. Voor Wolfheze is de sprinter namelijk het enige OV dat het dorp in de avonduren en op zon- en feestdagen bedient.

Gemeenteraadsverkiezingen 2022: deel 1

De gemeenteraadsverkiezingen komen er weer aan. Op 16 maart kunnen mensen in de meeste gemeenten weer naar de stembus. In enkele gemeenten kan er niet gestemd worden, dit als gevolg van herindelingen, waarbij verkiezingen plaatsvinden op het moment dat de herverdeling plaatsvindt. De opkomst van gemeenteraadsverkiezingen is vaak laag, in elk geval lager dan bij de landelijke verkiezingen.

Toch zal de uitkomst van de gemeenteraadsverkiezingen meer invloed hebben op het leven van kiezers, dan de uitkomst van de Tweede Kamer. De gemeente gaat namelijk over dat wat er in de directe omgeving plaatsvindt. In Renkum zijn er voor de komende raadsperiode enkele belangrijke zaken: Parenco, Lelystad Airport, Utrechtseweg, Station Wolfheze, sociaal domein en financiën. Deze lopende zaken hebben directe invloed op de gezondheid of de bereikbaarheid van de directe omgeving en hebben directe invloed in hoeverre mensen die hulp nodig hebben aanspraak kunnen maken op hulp van de gemeente. De komende periode zal er in verschillende artikelen stilgestaan worden bij de bovenstaande thema’s. Vandaag in deel 1 financiën en sociaal domein, die twee hangen samen, omdat de hulp die mogelijk is in het sociaal domein samenhangt met de financiële situatie.

Financiën en sociaal domein
De financiële situatie van de gemeente Renkum is niet heel sterk, dat betekent dat de gemeente moet bezuinigen op belangrijke zaken zoals sociaal domein en onderhoud van wegen van wegen met als gevolg dat wegen die echt aan vervanging toe zijn niet meteen vervangen kunnen worden en dat niet iedereen de hulp van de gemeente nodig heeft ook kan verwachten. Tegelijkertijd zorgt een financieel slechte situatie ertoe kan leiden dat de gemeente helemaal failliet gaat met wellicht een opdeling met de gemeenten Arnhem en Wageningen tot gevolg. Daarop zit vrijwel niemand in onze prachtige gemeente op te wachten, maar toch is het een reëel scenario.

Een belangrijke oorzaak van de slechte financiële situatie is dat er steeds meer taken vanuit het rijk worden overgeheveld naar de gemeenten, zonder dat gemeenten daar extra geld voor krijgen. Denk hierbij aan taken zoals jeugdzorg en de maatschappelijke ondersteuning. Het gevolg is dus dat gemeenten die klein zijn moeilijker rond kunnen komen, met als gevolg dat zeker in kleine gemeenten niet iedereen die hulp nodig heeft daar ook toegang tot heeft. Dat heeft tot gevolg dat er meer beroep wordt gedaan op mantelzorgers, wat zeker in combinatie met duurdere maandlasten er makkelijk voor kan zorgen dat mensen de druk niet altijd meer aankunnen. Er zijn dus meer mensen die hulp van de gemeente nodig hebben dan de gemeente kan bieden.

Een directe oplossing is er niet, er is simpelweg te weinig geld en de gemeente Renkum is te klein om dit op een goede manier zelfstandig op te kunnen lossen. Tegelijkertijd is er wel een oplossing nodig. Onder aanvoering van wethouder Mulder heeft de gemeente Renkum leiding genomen in de actie StopLokaleBezuinigingen. Als er geen geld bij komt, is de uitkomst onvermijdelijk: de keuze tussen harde bezuinigingen met als gevolg dat inwoners nauwelijks nog beroep kunnen doen op hulp van de gemeente en waarbij mogelijk geen sportveld meer onderhouden kan worden of de gemeente opsplitsen waarbij enkele dorpen naar de gemeente Wageningen gaan en enkele dorpen naar de gemeente Arnhem.

De uitkomst van de verkiezingen bepaalt dus wat er gebeurd. De beste uitkomst voor de gemeente is dat er een coalitie komt die in staat is om de lobby voor meer geld naar gemeenten te verzilveren. Als dat niet lukt zijn de gevolgen voor inwoners van onze zes dorpen groot en moet er of fors bezuinigd worden of gaan onze dorpen bij andere gemeenten horen. Als dat gebeurd weet niemand wat er gebeurd met het groen waar onze dorpen nu zo onbekend staan. Zeker inwoners van dorpen die bij de gemeente Arnhem gaan horen kunnen dan geen vuist meer maken. De stad Arnhem heeft zoveel inwoners dat daarmee de belangen van bewoners in onze dorpen een minimaal belang zijn geworden en waarbij dus de vraag is of de natuur blijft behouden.

Slappe Kamervoorzitter

Vandaag is er in de Tweede Kamer een debat over de regeringsverklaring. Buiten de regeringsverklaring zelf is het daar echter nog niet over gegaan. Er worden uitspraken gedaan over dat mensen niet het landsbelang zouden dienen omdat ze een dubbele nationaliteit hebben. Er worden uitspraken gedaan dat partijen niet het landsbelang zullen dienen, omdat ze iemand als adviseur hebben aangenomen die in het verleden strafbare feiten heeft gepleegd. Er worden uitspraken gedaan dat Kamerleden het landsbelang niet zullen dienen omdat ze familie zijn van mensen met een strafblad of omdat ze een hoofddoekje hebben.

Het parlement is het hart van de democratie en het debat zou zowel in de Eerste als in de Tweede Kamer beschaafd moeten zijn. Dat mag ook best hard zijn, er mag stevige kritiek worden geuit en er mag ook worden gezegd dat leden van het kabinet en van het parlement zelf er niets van bakken. Die kritiek moet dan wel inhoudelijk zijn en niet zou niet over het zijn van een persoon mogen gaan. Dat wordt ook door diverse Kamerleden uitgesproken en zij roepen vervolgens de Kamervoorzitter op om op te treden tegen de genoemde uitspraken die geen enkele inhoudelijke component hebben. De Kamervoorzitter zegt vervolgens alleen maar foei en laat het debat verder gaan, zonder er echt stevig op in te gaan.

Het nieuwe kabinet wil samen met de regeringspartijen een nieuwe bestuurscultuur uitstralen en daar hoort bij een debat op de inhoud. Een debat wat gepaard gaat met dat mensen om wie ze zijn niet het Nederlandse belang zullen dienen hoort er niet in thuis. Dergelijke uitspraken alleen maar afdoen met foei laat niet zien dat je voor een Tweede Kamer staat die afstand neemt van dergelijke afspraken en laat dus niet zien dat de Kamervoorzitter onmiddellijk invulling wilt geven van de nieuwe bestuurscultuur. Als de Tweede Kamer echt een grens wil stellen dan zullen ze dat ook op dit punt moeten laten zien en dan moeten ze ook de voorzitter van de Tweede Kamer ter verantwoording moeten roepen als zij niet afdoende ingaat op grensoverschrijdende uitspraken.

Vuurwerkverbod is voor de bühne

Eind november werd door het demissionaire kabinet besloten dat er voor de komende jaarwisseling, net als vorig jaar, een vuurwerkverbod van kracht is. Het is echter net als vorig jaar enkel om te scoren bij de bevolking. Laten zien dat ze iets willen doen om het vuurwerk aan te pakken en nu ze het kunnen koppelen aan de werkdruk van de zorgmedewerkers die het kabinet zogenaamd belangrijk vinden, nu zij door corona veel meer patiënten hebben, is het een makkelijke manier om het in te voeren zonder dat er al te veel protest is.

De resultaten laten zien, dat het vuurwerkverbod niet succesvol zijn. Net als vorig jaar wordt het vuurwerk gewoon afgestoken en net als vorig jaar zijn er in de media berichten van slachtoffers. De vraag die natuurlijk opkomt is hoe het dan zit met de handhaving, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Er is zo gigantisch veel consumentenvuurwerk dat het gigantisch veel vraagt van de politie om het te handhaven, het is gewoon ondoenlijk. Dan is er ook nog de laatste jaren bezuinigd op het blauw op straat. Dat betekent dus dat er met minder middelen, meer gedaan moet worden, aangezien handhaven op het vuurwerkverbod bovenop het andere werk komt.

Meer blauw op straat is daarmee niet de oplossing, het handhaven van het vuurwerkverbod vraagt überhaupt gigantisch veel capaciteit, ook als het politieapparaat op een fatsoenlijk niveau komt. Het is niet mogelijk om het gewoon volledig uit te bannen, zolang de bevolking geen permanent vuurwerkverbod wil. Bovendien zal het resultaat zijn dat omdat al het vuurwerk illegaal wordt er minder goed zicht zijn op wat er aan vuurwerk het land binnenkomt. De criminaliteit zal er mogelijk ook een slag in willen slaan, net zoals met drugs gebeurt.

Werkt daarmee het opwerpen van een algeheel vuurwerkverbod niet juist averechts en komt er daarmee niet meer zwaar vuurwerk het land binnen als niets meer legaal is? Vanwege die openstaande vragen is het belangrijk voor er een permanent verbod wordt afgekondigd wat de grootschalige effecten zijn en te onderzoeken of er alternatieven zijn die de veiligheid beter waarborgen. Een voorbeeld is om wel het klein- of siervuurwerk nog toe te staan. Zo blijft een deel van het vuurwerk legaal en is er in elk geval meer controle bij de legale vuurwerkhandelaren dan wanneer die geheel verboden worden en het enkel via het criminele circuit binnenkomt.

Een goed en gezond 2022 gewenst! Dat 2022 een jaar mag worden met veel wijsheid.

Besturen op de inhoud

De laatste jaren is er veel kritiek op de overheid. Er is namelijk veel wantrouwen en mensen hebben niet meer het idee gehoord te worden over hun problemen, bovendien worden mensen door overheidsinstanties vaak onterecht met de rug tegen de muur gezet als ze slechts een komma verkeerd zetten. De toeslagenaffaire is daar het grootste voorbeeld van.

Deze bestuurscultuur is in de loop van deze 21e eeuw ontstaan. Vanuit het openbaar bestuur is steeds vaker de nadruk gelegd op het aanpakken van fraude en ongeregeldheden, wat vanuit de overheid gebeurde vanuit wantrouwen richting de burger. Bovendien is het zo dat een keiharde aanpak financieel het meeste geld oplevert. Er werden vanuit ministeries die de belastingdienst adviseerden targets opgelegd die de belastingdienst moesten halen, onder andere een target over hoeveel fraudeaanpak zou moeten opleveren. Als targets niet gehaald werden moest de belastingdienst dat zelf compenseren. Destijds werd bovendien door de Tweede Kamer de opdracht gegeven mensen hard aan te pakken. Inmiddels is er kennis gemaakt met de absoluut mensonterende gevolgen die dat opleverden.

Deze afrekencultuur is ook in de gehele maatschappij te zien. Als mensen ook maar een klein dingetje fout doen wordt op sociale media meteen moord en brand geschreeuwd dat iemand een crimineel is of een leugenaar. Als zo iemand dan een fout maakt wordt het voor een dergelijke persoon heel moeilijk om binnen dezelfde sector werk te vinden. Bovendien wordt er bij zaken die een negatieve invloed hebben op individuen, zoals een avondklok of vaccinatieplicht, meteen gedreigd met ernstig geweld. Er wordt niet meer geaccepteerd dat er zaken negatief uitpakken voor een deel van de bevolking, wat inherent is aan het nemen van politieke besluiten. Het is dus niet zo dat de maatschappij kan zeggen dat zij niet verantwoordelijk zijn.

Het gevolg is ook dat bestuurders tegenwoordig zeer grondig letten op de financiën. Alles moet efficiënt en zonder dat het teveel kost. Zo gaat het in het bedrijfsleven al eeuwen en eigenlijk zelfs millennia. Het openbaar bestuur past steeds vaker ook bedrijfseconomische principes toe op het besturen van het land. Er wordt minutieus uitgerekend hoeveel politieagenten de beste kostenbatenanalyse opleveren of anders gezegd hoeveel agenten leveren maatschappelijk het meeste op. Dergelijke principes zijn ook te zien binnen onderwijs, zorg, openbaar vervoer en andere takken binnen de publieke sector.

Hetzelfde is ook terug te zien binnen de publieke sector zelf. Scholen, zorginstellingen en openbaar vervoersbedrijven hebben allemaal te maken met vele bestuurslagen die worden gevuld door managers. Ook deze managers denken allemaal bedrijfseconomisch en nemen besluiten op wat financieel het meeste oplevert. Tegelijkertijd zijn de tekorten aan personeel in de zorg, in het onderwijs en het openbaar vervoer al jaren enorm. Leerlingen krijgen steeds minder vaak de aandacht die ze nodig hebben en steeds meer leerlingen vallen uit in het basis- of middelbare onderwijs. In de zorg moeten mensen voor behandelingen soms lange reizen maken om hun kwalen behandeld te krijgen of om baby’s op de wereld te zetten. Bovendien komt regelmatig voor dat zorgbestuurders bonussen uitkeren met geld dat bedoeld is voor de behandelingen.

Deze zaken maken duidelijk dat bedrijfseconomisch besturen hand in hand gaat met de afrekencultuur die tegenwoordig in de maatschappij aanwezig is. De afrekencultuur zorgt ervoor dat mensen financieel zo efficiënt mogelijk te werk gaan en dat niets teveel moet kosten, omdat het anders teveel de portemonnee van de burger raakt. Al helemaal de portemonnees die toch al goed gevuld zijn mogen nauwelijks geplunderd worden. Deze efficiëntie zorgt er echter niet voor dat het beleid ook effectief is. Zoals gezegd levert het beleid niet de beste zorg, niet het beste onderwijs, niet het beste openbaar vervoer en niet een goede bezetting voor de hulpdiensten op.

Om deze problemen op te lossen moeten er bestuurders komen die niet enkel naar het financiële plaatje kijken, maar die ook naar de inhoud kijken. Het gaat hierbij zowel om bestuurders binnen het openbaar bestuur als bestuurders binnen de publieke sector. Daarbij is het dus ook het beste dat een bestuurder uit de sector komt waar hij bestuurlijk verantwoordelijk voor is. Dus de minister die verantwoordelijk is voor de zorgsector moet iemand zijn die uit de zorg komt, het hoofd van de belastingdienst moet iemand zijn die zich kan inleven in de situatie van de belastingbetaler en iemand uit het onderwijs moet de minister worden die verantwoordelijk is voor het onderwijs. Dit principe moet dan ook binnen de publieke sector weer gaan gelden. Het bestuur van de Hogeschool van Amsterdam moet bestaan uit mensen die voor de klas hebben gestaan of bestaan uit mensen die affiniteit hebben met de ontwikkeling van mensen. Het management van de opleiding bestuurskunde binnen de HvA moet bestaan uit mensen uit het werkveld van bestuurskunde. De directie van Ziekenhuis de Gelderse Vallei in Ede zou moeten bestaan uit mensen die zelf ervaring hebben met het werk van een arts of verpleegkundige en de teamleider chirurgie kan het beste iemand zijn die zelf chirurg is geweest. Tot slot moet de directeur van Breng iemand zijn die zelf veelvuldig gebruik maakt van het OV, zodat de directeur ervaart hoe het is om afhankelijk te moeten zijn van het openbaar vervoer.

Om dit te bereiken moet in elk geval de afrekencultuur worden doorbroken, zodat mensen die fouten maken niet meteen de rest van hun werkzame leven werkloos moeten zijn, omdat ze voor altijd worden herinnert aan de grote fouten die ze hebben gemaakt. Dat allemaal bij elkaar betekent echter niet dat er geen aandacht moet zijn voor de financiële kant en dat er dus geen pure bestuurders deel uit kunnen maken van het bestuur. Het geld moet echter niet leidend zijn in het beleid dat wordt gemaakt.

Onbehoorlijk bestuur

Eind 2019 deed corona zijn intrede in de wereld, door in China op te duiken. We zijn ondertussen 2 jaar verder en nog altijd zijn de gevolgen van corona zichtbaar en voelbaar. Een nieuwe besmettingsgolf is volop aan de gang, ondanks een grote vaccinatiegraad en ondanks het feit dat inmiddels ook al een groot deel corona heeft gehad. We zijn als samenleving op weg naar een nieuwe lock-down en we zijn als samenleving op weg naar een nieuwe piek in de ziekenhuizen, waarvan men terecht kan afvragen of mensen in de zorg dat nog wel aankunnen.

In maart 2020, toen corona net een maandje in ons land was hebben we als samenleving massaal geapplaudisseerd voor de mensen in de zorg ten teken van solidariteit, omdat ze toen zoveel deden om de zorg te geven die mensen massaal nodig had. Het kabinet deed vrolijk mee met applaudisseren. Op dat moment kon je ook nog zeggen, dat het kabinet werd overvallen door deze nieuwe ziekte. Een half jaar later volgde een nieuwe besmettingsgolf en hoewel het toen al ongeloofwaardiger werd was het ook toen nog te billijken dat een kabinet zegt dat het er niet op voorbereid was. De kanttekening die je daartegenover kunt plaatsen is wel dat al in de zomer van 2020 door de kamer een motie werd aangenomen om de salarissen in zorg te verhogen en nog veel belangrijker, te zorgen dat de werkdruk niet meer zo hoog zou worden als in het voorjaar van 2020. Die motie is echter nooit opgevolgd door kabinet Rutte III.

Nu een jaar later dreigt er een nieuwe wintergolf in combinatie met een zwaardere griepgolf. Er werd door deskundigen al voorspeld dat het een zwaardere griepgolf zou kunnen worden en dat daarmee de werkdruk in de zorg opnieuw te hoog zou kunnen worden. Ook in het afgelopen jaar is na de tweede golf niet besloten om de werkdruk te verlagen en te zorgen dat de capaciteit in de zorg zou worden opgeschaald om nieuwe pieken van werkdruk aan te kunnen in geval van nieuwe crises. Nu er wellicht deels onverwachts een nieuwe besmettingsgolf komt bovenop de dubbele griepgolf, dreigt de druk op de zorg echter groter te worden dan ooit. Als samenleving moeten we nu toch langzaamaan concluderen dat het kabinetsbeleid op zijn zachtst gezegd niet passend is bij de situatie waarin we sinds maart 2020 leven nu in al die tijd het kabinet niet besloten heeft ervoor te zorgen dat de capaciteit in de zorg werd vergroot.

Oprechte vragen die aan juristen gesteld zouden mogen worden zijn dan ook de volgende:

  1. Wat is er nodig om te spreken van onbehoorlijk bestuur?
  2. Valt het beleid van het kabinet Rutte III, wat bovendien al 10 maanden demissionair is daaronder?
  3. Wat kan er juridisch gedaan worden om te zorgen dat de mensen die in de zorg werken niet allemaal bij bosjes omvallen als gevolg van de hoge werkdruk?

Ga voor de rechtsstaat staan

In de Tweede Kamer is vorige week een motie aangenomen dat de lonen van zorgmedewerkers moeten stijgen. Dat is tot op heden niet gebeurd en het kabinet zegt, het is niet mogelijk, we doen de zorgpremie omhoog. Dat is staatsrechtelijk onjuist, het parlement is het hoogste orgaan en dus moet het kabinet de motie uitvoeren, of het daar nu mee eens is of niet.

De rechtsstaat staat onder druk, blijkt uit rapporten en blijkt uit het feit dat het kabinet vaker moties naast zich neerlegt. In principe mag een kabinet dat, maar als het zo vaak gebeurd als nu komt ook het dualisme onder druk te staan. Het dualisme zou weer meer moeten terugkeren was de afspraak over de nieuwe bestuurscultuur in het debat omtrent het gebeuren rond Omtzigt. Wil de Tweede Kamer hun geloofwaardigheid wat dat betreft behouden, dan moeten ze vandaag nog consequenties stellen voor het feit dat het kabinet deze belangrijke motie ook uit gaat voeren.